Waarom vissen migreren
Net als andere planten- en diersoorten hebben ook vissen migratieroutes nodig om zich vrij door watersystemen te kunnen verplaatsen. Vissen migreren, afhankelijk van de soort, over grote of beperkte afstand op zoek naar geschikte paai-, rust- en voedingsplaatsen.
De meest opvallende migratie gebeurt in functie van de voortplanting. Maar ook andere redenen kunnen aanzetten tot migratie: bescherming tegen predatie, vlucht voor verontreiniging, wisselend winter- en zomerverblijf, wisselende eisen aan het biotoop bij wisselende levensstadia, uitwisseling van genetisch materiaal tussen populaties en uitbreiding van populaties. Een vrije migratie is dan ook van essentieel belang voor elke vissoort om de levenscyclus te volbrengen.

Schema migratiepatronen (Johan Coeck, 2002)
Volgens hun migratiegedrag kunnen vissen in rivieren opgedeeld worden in twee grote groepen: potadrome vissen en diadrome vissen. De eerste groep voert (jaarlijks) kleine of grotere migraties uit binnen een riviersysteem. Voorbeelden hiervan zijn beekforel, vlagzalm, barbeel, sneep, kopvoorn, serpeling enz. Diadrome vissen -soorten die migreren tussen het mariene milieu en het zoetwater- kunnen verder onderverdeeld worden:
- anadrome soorten trekken van de zee naar de rivier om te paaien. Het best gekende voorbeeld is de zalm.
- katadrome soorten trekken van de rivier naar de zee om te paaien, zoals bijvoorbeeld de paling (foto).
- amphidrome soorten spenderen een groot deel van hun leven zowel in zout als zoet water. Hun migraties houden niet direct verband met hun voortplanting. Voorbeelden zijn: de dunlipharder en de bot.
Lees meer: