Problematiek
Van de bijna 200 Europese zoetwatervissoorten zijn er op dit ogenblik 67 bedreigd in hun voortbestaan door menselijke ingrepen op de waterlopen. Ongeveer de helft hiervan kan teruggebracht worden naar problemen die verband houden met een fysische migratiebelemmering. De status van de grote migratoren in Vlaanderen is dan ook ronduit slecht.
Volgens de Rode lijst zijn 8 van de 12 grote migratoren zo goed als verdwenen zoals houting, grote marene, elft, Atlantische steur, zeeprik, Atlantische zalm, fint en zeeforel. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de fint weer gevangen wordt in de Zeeschelde maar of deze soort de geschikte paaigebieden vindt is nog onduidelijk. Bot, spiering en rivierprik zijn voorbeelden van grote migratoren die volgens de Rode Lijst onder de categorie ‘zeldzaam’ vallen. De paling ten slotte, die goed bestand is tegen verontreiniging en destijds zo talrijk was in onze waterlopen, is de laatste jaren sterk achteruitgegaan.
Het is duidelijk dat de verbetering van de waterkwaliteit niet voldoende is om de visfauna in Vlaanderen te herstellen. Willen we de bedreigde vissoorten in onze waterlopen kansen geven, dan moeten de migratieroutes met spoed open gemaakt worden en gezorgd worden voor betere leefgebieden.
Tal van kunstwerken zoals duikers, stuwen, watermolens, sluizen en bruggen verdelen het waterlopennetwerk in aparte trajecten. Levensgemeenschappen die via het water moeten migreren, worden op die manier belemmerd tijdens hun verplaatsing tussen potentiële leefgebieden.
De mogelijkheid om een kunstwerk al dan niet te passeren, is verschillend per soort. Soorten typisch voor bergriviertjes passeren veel makkelijker barrières dan de vissen van laaglandbeken. Stuwen en watermolens creëren een verval waar 'onze' vissen tijdens hun migratie naar meer stroomopwaartse rivierdelen onmogelijk over kunnen springen.
Een verval van 20 cm kan voor een aantal soorten al een probleem vormen. Ook sluizen zijn potentiële barrières. Op de Ringvaart rond Gent worden veel migrerende soorten waargenomen. Ze migreren echter niet via de sluisgeul, maar zitten vast ter hoogte van de stuw.
Vele waterlopen in Vlaanderen zijn over een langere afstand ingekokerd, bijvoorbeeld onder pleinen of steden. Soms is de stroomsnelheid in deze overwelvingen te hoog voor vissen. Ook sifons (buizen die waterlopen onder een kanaal leiden) kunnen migratie belemmeren. Gemalen en waterkrachtcentrales bemoeilijken zowel de stroomopwaartse als stroomafwaartse migratie van vissen en kunnen vissen zelfs doden of verwonden.
Bij een uitvoerige inventarisatie van de knelpunten op prioritaire waterlopen in Vlaanderen is een lijst opgesteld van kunstwerken die vissen tijdens hun migratie kunnen belemmeren. Vervolgens heeft men deze kunstwerken opgedeeld in verschillende groepen naargelang de functie. Daaruit blijkt dat 36% van de knelpunten gecreëerd worden door constructies die verband houden met het wegen- en waternetwerk in Vlaanderen zoals duikers, sifons, sluizen en bodemplaten. Funderingen onder bruggen (bodemplaten) hebben in vele gevallen een te hoge ligging t.o.v. de natuurlijke beekbodem stroomafwaarts. Door het dynamisch karakter van de beek en door ruimingen is de beekbodem stroomafwaarts van de bodemplaat dieper gaan liggen, wat vaak een onoverbrugbaar verval en/of een (te) ondiepe waterstand op de bodemplaat met zich meebrengt. 32% van de knelpunten zijn kunstwerken die verband houden met waterbeheersing (stuwen, gemalen, bodemval, etc) en 14% zijn watermolens. 18 % zijn knelpunten met andere of onduidelijke functies.
Ingrepen op waterlopen: meer dan migratiebelemmering alleen
Afgelopen decennia heeft de kalibratie van de meeste waterlopen in Vlaanderen geleid tot een verlies aan structuurvariatie en migratiemogelijkheden in het watersysteem. De verandering van een natuurlijk werkend systeem in een systeem gericht op een snelle waterafvoer, heeft grote gevolgen voor fauna en flora. Door normalisaties en opstuwingen wordt de energie van de rivier -die normaal gespreid wordt over de volledige loop- als het ware ontnomen. Waterlopen vertoonden oorspronkelijk een verscheidenheid aan stroomsnelheden. Door rechttrekkingen en verstuwing maakte het diverse stromingspatroon met snel en traag stromende zones in de waterloop plaats voor een egaal stromingspatroon. Ook het belang van rijk gestructureerde oevers en oevervegetaties is bijzonder groot voor visfauna. Bomen, emergente oeverplanten bieden voor vele soorten een paaisubstraat, opgroeigebied, foerageer- of rustgebied.
Een gevolg hiervan is dat soorten met minder specifieke eisen aan het milieu de plaats innemen van soorten die sterk gebonden zijn aan bepaalde habitatstructuren. De wijziging van habitats hebben een verschuiving van het soortenspectrum van stroomminnende soorten naar soorten die een stilstaand, traagstromend water verkiezen tot gevolg. Vissoorten zoals gestippelde alver, beekprik, rivierdonderpad, kopvoorn, serpeling, barbeel, elrits, beekforel en sneep vallen volgens de Rode lijst onder de categorie ‘zeldzaam’, ‘kwetsbaar’ en ‘met uitsterven bedreigd’. Soorten typisch voor traagstromende wateren zoals baars, brasem en blankvoorn komen nu algemeen voor.